7
12 Dan zal het gebeuren, omdat u deze bepalingen zult horen, in acht nemen en
houden, dat YAHUVEH, uw ELOHIM, voor u het verbond en de goedertierenheid in
acht zal nemen die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft.
13 Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw
schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de
dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw
vaderen gezworen heeft u te geven.
14 Gezegend zult u zijn boven al de volken; onder u zal geen man of vrouw
onvruchtbaar zijn, onder uw dieren evenmin.
15 YAHUVEH zal alle ziekte van u weren en geen van de verschrikkelijke kwalen
van Egypte, die u hebt leren kennen, zal Hij u opleggen, maar Hij zal ze geven
aan allen die u haten.
16 U zult al de volken verteren die YAHUVEH, uw ELOHIM, u geeft. Laat uw oog hen
niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.
17 Wanneer u in uw hart zegt: Deze volken zijn groter dan ik; hoe kan ik hen
ooit uit hun bezit verdrijven?
18 wees dan niet bevreesd voor hen. Denk steeds aan wat YAHUVEH, uw ELOHIM, met
de farao en met alle Egyptenaren gedaan heeft,
19 de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de
sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee YAHUVEH, uw ELOHIM, u uitgeleid heeft.
Zo zal YAHUVEH, uw ELOHIM, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent.
20 Daarbij zal YAHUVEH, uw ELOHIM, horzels onder hen zenden, totdat zij die
overgebleven en voor u verborgen zijn, ook omgekomen zijn.
21 Schrik voor hen niet terug, want YAHUVEH, uw ELOHIM, is in uw midden, een
groot en ontzagwekkend El.
22 YAHUVEH , uw ELOHIM, zal deze volken van voor uw ogen verdrijven, maar
geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de
dieren van het veld te talrijk worden voor u.
23 YAHUVEH , uw ELOHIM, zal hen aan u overgeven; Hij zal hen verwarren met een
grote verwarring, totdat zij weggevaagd zijn.
24 Hij zal u hun koningen in uw hand geven, en u moet hun naam van onder de
hemel doen verdwijnen; niemand zal vóór u standhouden, totdat u hen weggevaagd
hebt.
25 De beelden van hun elohims moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat
erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor
verstrikt, want het is voor YAHUVEH, uw ELOHIM, een gruwel.
26 U mag zoiets gruwelijks niet in huis halen, anders wordt u evenzo tot iemand
op wie de ban rust; volledig verafschuwen moet u het, ja, er een diepe afschuw
van hebben, want het is iets waarop de ban rust.
8
1 U moet alle geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht nemen, opdat u
leeft, talrijk wordt en het land dat YAHUVEH uw vaderen onder ede beloofd heeft,
binnengaat en in bezit neemt.
2 Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop YAHUVEH, uw ELOHIM, u deze
veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u
op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in
acht zou nemen of niet.
3 Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het manna eten,
dat u niet kende en ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat
de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de
mond van YAHUVEH komt.
4 De kleren die u droeg zijn niet versleten en uw voet raakte niet opgezwollen
in deze veertig jaar.
5 Weet dan in uw hart dat YAHUVEH, uw ELOHIM, u gehoorzaamheid bijbrengt zoals
een man zijn zoon gehoorzaamheid bijbrengt,
6 en neem de geboden van YAHUVEH, uw ELOHIM, in acht door in Zijn wegen te gaan
en door Hem te vrezen.
7 Want YAHUVEH, uw ELOHIM, brengt u in een goed land: een land met waterbeken,
bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;
8 een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een
land met olierijke olijfbomen en honing;
9 een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets
ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en waarin u uit zijn
bergen koper kunt hakken.
10 Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan YAHUVEH, uw ELOHIM, voor
het goede land dat Hij u gegeven heeft.
11 Wees op uw hoede dat u YAHUVEH, uw ELOHIM, niet vergeet, en daardoor Zijn
geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in
acht neemt.
12 Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en daarin woont,
13 uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en ook uw zilver en goud toeneemt,
ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,
14 pas ervoor op dat uw hart zich dan niet verheft en u YAHUVEH, uw ELOHIM,
vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;
15 Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen,
schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor
u liet komen,
16 Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden,
opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk
wel te doen;
17 en dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van míjn
hand heeft dit vermogen voor mij verworven.
18 Maar u moet YAHUVEH, uw ELOHIM, in gedachten houden, dat Hij het is Die u
kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen,
dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is.
19 Als het echter gebeurt dat u YAHUVEH, uw ELOHIM, helemaal vergeet, achter
andere elohims aan gaat, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u
heden dat u zeker zult omkomen.
20 Zoals de heidenen die YAHUVEH van voor uw ogen uitgeroeid heeft, zo zult u
dan ook zelf omkomen, omdat u de stem van YAHUVEH, uw ELOHIM, niet gehoorzaam
bent geweest.
9
1 Luister, Israël! U gaat heden de Jordaan oversteken om het land binnen te gaan
en in bezit te nemen van volken die groter en machtiger zijn dan u, met grote en
hemelhoog versterkte steden;
2 een groot en lang volk, de Enakieten, die u zelf kent en over wie u zelf
gehoord hebt: Wie kan standhouden tegenover de Enakieten?
3 Daarom moet u heden weten dat het YAHUVEH, uw ELOHIM, is Die voor u uit de
Jordaan overtrekt, een verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u
onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen al snel ombrengen, zoals
YAHUVEH tot u gesproken heeft.
4 Wanneer YAHUVEH, uw ELOHIM, hen van voor uw ogen verjaagd heeft, zeg dan niet
in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft YAHUVEH mij in dit land gebracht om
het in bezit te nemen. Want het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat
YAHUVEH hen van voor uw ogen uit hun bezit verdrijft.
5 Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun
land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken
verdrijft YAHUVEH, uw ELOHIM, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het
woord gestand te doen dat YAHUVEH, uw ELOHIM, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob,
gezworen heeft.
6 Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat YAHUVEH, uw
ELOHIM, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een
halsstarrig volk.
7 Houd in gedachten en vergeet niet dat u YAHUVEH, uw ELOHIM, zeer toornig hebt
gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent,
totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan YAHUVEH.
8 Bij de Horeb hebt u YAHUVEH immers zeer toornig gemaakt; YAHUVEH werd zo
toornig op u dat Hij u wilde wegvagen.
9 Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het
verbond dat YAHUVEH met u gesloten had, te ontvangen, bleef ik veertig dagen en
veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water.
10 En YAHUVEH gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven door de vinger van
ELOHIM; daarop stonden alle woorden die YAHUVEH met u gesproken had op de berg,
vanuit het midden van het vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam.
11 Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen YAHUVEH
mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,
12 dat YAHUVEH tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u
uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn al snel afgeweken van de
weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.
13 Verder sprak YAHUVEH tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een
halsstarrig volk.
14 Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel
uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken dat nog machtiger en talrijker is dan
dit.
15 Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en
de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
16 Ik keek toe en zie: u had tegen YAHUVEH, uw ELOHIM, gezondigd; u had voor
uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was al snel afgeweken van de weg die YAHUVEH u
geboden had!
17 Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze
voor uw ogen in stukken.
18 En ik wierp mij neer voor het aangezicht van YAHUVEH, net als de eerste keer,
veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water, vanwege
al de zonde die u begaan had, door te doen wat slecht is in de ogen van YAHUVEH
om Hem tot toorn te verwekken.
19 Want ik was bevreesd vanwege Zijn toorn en grimmigheid: YAHUVEH was zo
toornig op u dat Hij u wilde wegvagen. YAHUVEH verhoorde mij echter ook die keer.
20 Ook op Aäron was YAHUVEH zo toornig dat Hij hem wilde wegvagen; maar ik bad
in die tijd ook voor Aäron.
21 Maar ik nam uw zonde, het kalf dat u gemaakt had, en verbrandde het met vuur.
Ik verbrijzelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof verpulverd
was. En het stof ervan gooide ik in de beek die van de berg afloopt.
22 Ook Tabera, Massa en Kibroth-Taäva maakte u YAHUVEH zeer toornig.
23 En toen YAHUVEH u vanuit Kades-Barnea op weg zond en zei: Trek op en neem het
land dat Ik u gegeven heb in bezit, was u het bevel van YAHUVEH, uw ELOHIM,
ongehoorzaam: u geloofde Hem niet en gehoorzaamde Zijn stem niet.
24 U bent ongehoorzaam geweest aan YAHUVEH vanaf de dag dat ik u ken.
25 Ik wierp mij neer voor het aangezicht van YAHUVEH, die veertig dagen en
veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat YAHUVEH gezegd had dat Hij u
zou wegvagen.
26 En ik bad tot YAHUVEH en zei: Adonai YAHUVEH, richt Uw volk en Uw eigendom
toch niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand
uit Egypte hebt geleid.
27 Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de
hardleersheid van dit volk, aan zijn goddeloosheid, en aan zijn zonde;
28 anders zal het land waar U ons uit geleid hebt, zeggen: Omdat YAHUVEH hen
niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij
hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.
29 Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw
uitgestrekte arm hebt uitgeleid!
10
1 In die tijd zei YAHUVEH tegen mij: Houw twee stenen tafelen voor u uit, net
als de eerste, en klim de berg op, naar Mij toe; ook moet u een kist van hout
voor u maken.
2 En Ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden,
die u verbrijzeld hebt; en dan moet u ze in de kist leggen.
3 Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net
als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand.
4 Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien
Woorden die YAHUVEH tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het
vuur, op de dag dat u daar bijeenkwam; en YAHUVEH gaf ze aan mij.
5 En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik
gemaakt had. Daar zijn ze nog steeds, zoals YAHUVEH mij geboden had.
6 (Toen braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar
stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester
in zijn plaats.
7 Daarvandaan braken zij op naar Gudgod en van Gudgod naar Jotbath, een land vol
beken.)
8 In die tijd zonderde YAHUVEH de stam Levi af om de ark van het verbond van
YAHUVEH te dragen, om voor het aangezicht van YAHUVEH te staan, om Hem te dienen
en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
9 Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; YAHUVEH
Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals YAHUVEH, uw ELOHIM, tot hem gesproken heeft.
10 Ík stond dus op de berg, net als de vorige dagen: veertig dagen en veertig
nachten. YAHUVEH verhoorde mij ook deze keer; YAHUVEH wilde u niet te gronde
richten.
11 En YAHUVEH zei tegen mij: Sta op, ga op reis, voor het volk uit, zodat zij in
het land komen dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, en zij dat in bezit
nemen.
12 Nu dan, Israël, wat vraagt YAHUVEH, uw ELOHIM, van u dan YAHUVEH, uw ELOHIM,
te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en YAHUVEH, uw ELOHIM,
te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel,
13 en de geboden van YAHUVEH en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in
acht te nemen, u ten goede?
14Zie, van YAHUVEH, uw ELOHIM, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde
en alles wat erop is.
15 Maar alleen voor uw vaderen heeft YAHUVEH liefde opgevat om hen lief te
hebben, en Hij heeft hun nageslacht na hen, u, uit al de volken verkozen, zoals
het heden ten dage nog is.
16 Besnijd dan de voorhuid van uw hart en verhard de nek niet.
17 Want YAHUVEH, uw ELOHIM, is de ELOHIM der elohims en de Meesters der meesters;
die grote, machtige en ontzagwekkende ELOHIM, Die geen aangezicht verheft en
geen geschenk in ontvangst neemt,
18 Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft
door hem brood en kleding te geven.
19 Daarom moet u de vreemdeling liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen
geweest in het land Egypte.
20 YAHUVEH, uw ELOHIM, moet u vrezen, Hem moet u dienen, aan Hem moet u zich
vasthouden en bij Zijn Naam moet u zweren.
21 Hij is uw lof en Hij is uw ELOHIM, Die bij u deze grote en ontzagwekkende
dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.
22 Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft YAHUVEH, uw
ELOHIM, u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.
11
1 Daarom moet u YAHUVEH, uw ELOHIM, liefhebben en Zijn voorschriften, Zijn
verordeningen, Zijn bepalingen en Zijn geboden in acht nemen, alle dagen.
2 U moet heden weten dat ik niet spreek tot uw kinderen, die het niet weten, en
het onderwijs van YAHUVEH, uw ELOHIM, niet gezien hebben – Zijn grootheid, Zijn
sterke hand en Zijn uitgestrekte arm,
3 Zijn tekenen en Zijn daden die Hij in het midden van Egypte verricht heeft,
bij de farao, de koning van Egypte, en heel zijn land,
4 en wat Hij gedaan heeft met het leger van de Egyptenaren, met hun paarden en
strijdwagens: dat Hij het water van de Schelfzee over hen heen liet stromen,
toen zij u achtervolgden; YAHUVEH heeft hen omgebracht, tot op deze dag.
5 Ook wat Hij voor u gedaan heeft in de woestijn, totdat u op deze plaats
gekomen bent,
6 en wat Hij gedaan heeft met Dathan en Abiram, zonen van Eliab, de zoon van
Ruben: dat de aarde haar mond opende en hen verzwolg, met hun gezinnen en hun
tenten en alles wat bij hen hoorde, te midden van heel Israël.
7 Want uw ogen hebben al deze grote daden van YAHUVEH, die Hij verricht heeft,
gezien.
8 Daarom moet u alle geboden die ik u heden gebied, in acht nemen. Dan zult u
sterk zijn en het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, binnengaan
en in bezit nemen,
9 opdat u uw dagen zult verlengen in het land waarvan YAHUVEH uw vaderen
gezworen heeft het hun en hun nageslacht te geven, een land dat overvloeit van
melk en honing.
10 Want het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, is niet zoals het
land Egypte, waaruit u weggetrokken bent, dat u met uw zaad moest bezaaien en
met uw voet water moest geven, zoals een groentetuin.
11 Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met
bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel.
12 Het is een land waar YAHUVEH, uw ELOHIM, voor zorgt: voortdurend rusten de
ogen van YAHUVEH, uw ELOHIM, daarop, van het begin van het jaar tot het einde
van het jaar.
13 En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u
heden gebied, door YAHUVEH, uw ELOHIM, lief te hebben en Hem te dienen met heel
uw hart en met heel uw ziel,
14 dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen,
zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.
15 Ook zal Ik gewas op uw veld geven voor uw dieren; en u zult eten en verzadigd
worden.
16 Wees op uw hoede dat uw hart niet verleid wordt, zodat u afwijkt, andere
elohims dient en u voor hen neerbuigt.
17 Anders zal de toorn van YAHUVEH tegen u ontbranden en zal Hij de hemel
sluiten, zodat er geen regen meer zal zijn, de aardbodem zijn opbrengst niet
meer zal geven en u spoedig verdwenen zult zijn uit het goede land dat YAHUVEH u
geeft.
18 Daarom moet u deze woorden van mij in uw hart en op uw hart en op uw ziel
leggen. Bind ze als een teken op uw hand, en ze moeten als een voorhoofdsband
tussen uw ogen zijn.
19 En leer ze aan uw kinderen door erover te spreken als u in uw huis zit en als
u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat;
20 en schrijf ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten,
21 opdat uw dagen en de dagen van uw kinderen in het land waarvan YAHUVEH uw
vaderen gezworen heeft het hun te geven, zo talrijk worden als de dagen dat de
hemel boven de aarde staat.
22 Want als u al deze geboden die ik u gebied, nauwlettend in acht neemt door ze
te houden, door YAHUVEH, uw ELOHIM, lief te hebben, door in al Zijn wegen te
gaan en u aan Hem vast te houden,
23 dan zal YAHUVEH al deze volken van voor uw ogen uit hun bezit verdrijven, en
zult u het land van volken die groter en machtiger zijn dan u, in bezit nemen.
24 Elke plaats die uw voetzool betreedt, zal van u zijn; vanaf de woestijn en de
Libanon, vanaf de rivier, de rivier de Eufraat, tot aan de achterste zee zal uw
gebied zich uitstrekken.
25 Niemand zal tegenover u standhouden; YAHUVEH, uw ELOHIM, zal over heel het
land dat u zult betreden, angst en vrees voor u geven, zoals Hij tot u gesproken
heeft.